Je bekijkt nu het jaarlijks archief voor 2009.

EXPO: E.motion graphique. Du dessin ancien à l’animation contemporaine (***)

EXPO: Delvaux en de Oudheid (****)

EXPO: The hoerengracht (****)

EXPO: The sacred made real (****1/2)

EXPO: Max Beckmann (****)

http://www.rektoverso.be/content/view/1067/2/

EXPO: Walvissen en dolfijnen (****)

Een laat bericht over het beste concert dat ik dit jaar zag:

De uit Texas afkomstige zanger Lyle Lovett (°1957) was op 22 maart te gast in de Ancienne Belgique om er met een akoestisch combo zijn fijne liedjes te vertolken. Het was een primeur, want een tv-optreden in 1988 daargelaten, was het zijn eerste passage in onze contreien. Dit mag als een vingerwijzing voor onze appreciatie voor countrymuziek gelden. En toch pakte hij pers en publiek met stijl in. Even leek ons land zo weids als zijn geboortegrond.

Een cowboy in het diepst van zijn gedachten

Lyle Lovett maakte in 1986 zijn opwachting in de muziekscène met het eponieme debuut “Lyle Lovett”. Dit ging niet onopgemerkt voorbij, door zijn intelligente teksten en originele muziek gold hij als een nieuwlichter in de country. Opvolger “Pontiac” uit ’87 stelde de countrykoers bij: Lovett naaide complexloos country, Texaanse western swing, blues, bigband en jazz aaneen. Enkele songs zoals Pontiac en Simple song overstegen nog die muzikale categorieën. Ze braken met het zonnigere klankbeeld van de rest van de songs. Lovett profileerde zich aldus niet als een countryster maar als een scherpzinnig singer-songwriter. In die eerste hoedanigheid stond hem nochtans een lucratieve carrière te wachten, maar die boot hield hij gewillig af. Een deel van de country diehards liet hem op dat moment vallen, terwijl popliefhebbers – ook aan deze kant van de oceaan – hem in het vizier kregen. Daarna leverde hij “Lyle Lovett and his large band” af, een halve plaat vol bigband en een tweede helft met spannende country. Stand by your man coverde hij zonder verpinken en zonder een letter aan de tekst te veranderen én hij kwam er mee weg.

Begin jaren ’90 werd de man een bescheiden ster door zijn muziek, zijn kortstondig huwelijk met Julia Roberts en enkele filmrollen. Nog zes opnames volgden waarin hij zijn songschrijverschap uitpuurde en zijn eclectische liefde voor muziek de volle loop liet. Lovett is wat men met graagte een cultmuzikant noemt: te veelzijdig en te dwars om een wereldster te zijn. De thinking man’s cowboy zet de traditie naar zijn hand en is niet voor één gat te vangen. Hij doet dus strict genomen zijn zin.

The boys from North Dakota
They drink whisky for their fun

And the cowboys down in Texas
They polish up their guns
And they look across the border
To learn the ways of love
If you love me, say I love you (…)

So I drank myself some whisky
And I dreamed I was a cowboy
And I rode across the border

(North Dakota, “Joshua Judges Ruth”, 1992)

Het aangrijpende ‘North Dakota’ verraadt veel over Lovett en zijn songschrijverschap. Hij is een estheet met cowboy boots: vestimentair onberispelijk, uiterst verzorgde cd-hoesjes met kunstige zwart-witfotografie, gepolijste songs en tot op de nerf geschaafde teksten. Puntig en poëtisch de ene keer, een andere keer simpel en direct. Vaak hermetisch gesloten en met dwarse humor gelardeerd. Maar ook een trotse Texaan – zij het tongue in cheek: You say you’re not from Texas/ Man as if I couldn’t tell/ You think you pull your boots on right/ And wear your hat so well/ So pardon me my laughter/ ‘Cause I sure do understand/ Even Moses got excited when he saw the promised land.

Countrymuziek

Ook al kan je Lovetts muziek al lang niet meer als louter country categoriseren, toch was het optreden in de AB country van het zuiverste water. Een akoestische band met Keith Sewell op akoestische gitaar en mandoline, Viktor Krauss op bas, Russ Kunkle op drums en John Hagen op cello leende zich ertoe om de kaart van die traditionele muziek te trekken. Een bigband overvliegen is economisch niet haalbaar. Het werd door het publiek gesmaakt, ook al is dat geen evidentie. Lees de rest van dit artikel »

EXPO: Marcel Maeyer (*** ½)

Deze blog bestaat omdat ik ervan houd om neer te schrijven wat mij gekluisterd houdt. In mijn werk als kunstcriticus gaat veel energie, maar een aantal velden zijn zo goed als onontgonnen. Als de woorden muziek, natuur, kunst, wijn of eten vallen, dan spits ik alert de oren. Om mijn eigen wereld her uit te vinden, of om er iets van te begrijpen, vertaal ik impressies in woorden. Soms heb ik het gevoel dat de ervaring door de gekozen woorden recht wordt aangedaan. Heel soms.

De natuur is er, de rest is door mensenhanden gemaakt. Die natuur heeft het niet gemakkelijk. Het stemt me triest dat ik nog tijdens mijn leven getuige ben van de gewisse achteruitgang van de natuurlijke rijkdom. Ongeveer 15 jaar geleden hoorde ik nog het liedje van de leeuwerik vanuit mijn tuin, een vanzelfsprekendheid. Iets verder zat een dik grijs vogeltje jubelend te zingen. De grauwe gors is heden in Zuid-West-Vlaanderen, net zoals de veldleeuwerik, zo goed als verdwenen. Ik herinner mij scherp de rode wouwen die ik aan het begin van de jaren ’90 in een Franse landstreek – de Argonne – zag; dat was het startschot van mijn passie voor vogels. We keren er nog altijd terug, maar op de rode wouwen wachten we niet meer. Desondanks heb ik er niet voor gekozen om een zwartkijker te zijn, ook al zijn de aanleidingen legio.

Listiger zijn dan een vos en het argeloze dier een halfuur kunnen volgen tot diep in zijn territorium, het doet iets met een mens. Vervolgens de spectaculaire, zij het niet al te luide, zang van een mannetje grauwe klauwier opmerken. Men hoort hem zelden en de verwachting is niet hoog, maar stomverbaasd hoor je onvermoede coloraturen, zelfs een spotvogel waardig. Duizenden migrerende ooievaars en schreeuwarenden aan de Bosporus, baltsende grote trappen in het hart van Extremadura of een kolonie roodpootvalkjes in de Puszta bij Hortobágy brengen extase. Er was een tijd dat het mij bij iedere nieuwe waargenomen vogelsoort te machtig werd en ik mijn verrekijker nauwelijks nog stevig omklemd kon houden. De kwaliteit van de waarneming was ondermaats, de ervaring was geestverroerend.

Op je zestiende onaangekondigd, als door de bliksem getroffen, Les demoiselles d’Avignon in het MoMA ervaren. Je panische vliegangst onder ogen zien om Rome te bereiken, met als doel de Sixtijnse kapel met bonzend hart te kunnen naderen. Portret van Jan de Leeuw zien en van de weeromstuit in mirakels geloven. Kunst zal de wereld niet rechtvaardiger maken, wel heviger. Onderschat de impact van kunst niet. En de noodzaak ervan.

Geef mij alle dagen de Goldberg-Variationen of de onuitputtelijke songcatalogus van Bob Dylan. Radiohead en Sigur Rós voor tijden van ontij en schipbreuk, om de ellendige melancholie fijnbesneden te onderstrepen. Sinatra en Ray Charles om er de stemming in te brengen. Marvin Gaye voor lust en affectie. Lenny Breau en Paco de Lucía om de knapste uitvinding van de mensheid, de gitaar met al haar voorlopers en afgeleiden, te eren. Lange late avonden begeleid door de ballades van John Coltrane of Dexter Gordon. En Bob Marley om immer vrolijk te kunnen zijn.

De geur van oude en nieuwe gitaren, de geur van Epoisses, het bouquet van een Vieux Château Certan op leeftijd of van een epaterende Châteauneuf-Du-Pape. De baklucht van een frituur die je niet onberoerd laat op je fiets. Het natte herfstige bos, of de stank van een varkensstal. Visbouillons en versgeklopte bearnaise, de barbecue van de buren, basilicum, een zomers korenveld bij valavond en het onnavolgbare geurenpalet van een Marc de Chablis. Het aroma van eekhoorntjesbrood en van Parmigiano Reggiano.

Het marmer waaruit de naakten van Michelangelo werden bevrijd. De producten waarmee de meesterkok tovert. Het hout waaruit een onvergankelijke akoestische gitaar werd gevormd. De druiven waarmee men vergankelijke wijngeschiedenis schrijft. De bekommernis waarmee we stokoude schilderijen bejegenen.

De eerste herfstdag waait door de tuin terwijl ik dit bedenk. Kauwtjes vliegen rusteloos af en aan, ik hoor ze kibbelen van achter de schrijftafel. Dit jaargetijde doet mij aan de tristesse van Mozart denken. Ik mijmer over zon, ontluikende bloemen, voorjaarszang, aanstonds bloeiende fruitbomen, de balts van de sperwer en het verkennende oranjetipje in de tuin. Ik denk aan de ganzen die straks gakkend over komen vliegen, of aan de symfonie van duizenden kraanvogels in Lac du Der, opgeschrikt door een zeearend die een stoutmoedige aanvalspoging onderneemt. De keuken is in feeststemming. Paddenstoelen, wild, noten en allerlei vruchten. De druivenpluk: opwinding alom. Het wordt tijd om de gerijpte Bordeaux op te diepen en de stoofpotten te laten mijoteren. Of liever een aardse Bourgogne? Tegelijk frivool en hartig.

De poes ligt opgerold te slapen in de fauteuil, jagend in een mooiere wereld, met vele veldmuizen en weerloze zangvogeltjes. Wat is het toch pijnlijk als er een dood roodborstje voor de deur ligt, of een nest heggenmussen ontdekt werd… Mijn pogingen om vlinders het leven te redden, blijken veelal vruchteloos. Soms begrijpen mensen niet dat je én vogelliefhebber, én kattenliefhebber kan zijn. We zijn niet zelden zeer tegenstrijdig. Ik huiver voor rechtlijnigheid of een overdreven hang ernaar. Aan de veerkracht van de natuur kunnen we ons optrekken en ervan hopen dat we er met een mespuntje mee bedeeld zijn. Trouwens: een van de katten heeft pas 3 jongen geworpen. Ik kijk al uit naar het gejodel van de wielewaal, ergens in april, in het prille, nog frisse voorjaar.

Bellegem, 5 oktober 2009

    Follow

    Get every new post delivered to your Inbox.